Hartslag 145

Kwart over twee op het marktplein. Kwart over twee! En ik ben niet moe. Ik heb de hele dag nauwlijks gezweet. Ik ben niet één keer buiten adem geraakt.

Twee weken geleden vroeg een goede vriend –bijna traditioneel- of ik meedeed aan Luik – Bastenaken – Luik. De moeder van alle wielerklassiekers. Al sinds 1892. Een helletocht over 220km voor de amateurs, heuvel op, heuvel af, dwars door de Ardennen. Met ieder jaar de apotheose op de Redoute. Waar het 20% omhoog gaat…

Ook dit jaar kwam Luik – Bastenaken – Luik voor mij te vroeg. Ik had nog maar één keer een uurtje op de fiets gezeten, met een maarts zonnetje erbij. Bijna automatisch dacht ik dus: Mwah, volgend jaar misschien. Maar om de één of andere reden zei ik JA.

Een aardig vraagstuk. Hoe fiets ik over twee weken Luik – Bastenaken – Luik zonder enige fysieke conditie? Sinds Ajax in september door Juventus van de mat werd getikt had ik niet eens meer aan sport gedacht. En wel uitbundig ongezond geleefd.

Misschien werkt LEAN ook hier. Eerst maar eens de klantvraag: Wat werd van mij gevraagd? Het bleek mogelijk een versie voor recreanten te fietsen, over slechts 120km, maar wel met 11 stevige cols en bijna 2.000m. klimmen. En inclusief Redoute. Dat leek al een stuk haalbaarder. Temeer daar ik er 12 uur over mocht doen. Gemiddeld 10 km/ uur dus.

Dat moest ik zelfs ongetraind toch kunnen? Maar: ik weet van mezelf dat ik soms halverwege geheel opgebrand de man met de hamer tegenkom. En dat dan helemaal niets meer lukt. Ik ging dus op onderzoek uit. Wat was mijn capaciteit of vermogen? Mijn vriend vertelde dat sporters om dat te weten tegenwoordig gebruik maken van de hartslagmeter. Zolang we op 80% van onze maximale hartslag blijven presteren, houden we het lang vol, zo hield hij mij voor. Met een hartslag tussen 140 en 145 slagen per minuut zou ik de rit zeker uit kunnen rijden.

Gewapend met hartslagmeter, verscheen ik dus aan de start. Een vrolijk geklepper van wielerschoentjes, om half acht ’s morgens. Al na twee kilometer werd ik door een groepje voorbijgereden. Ik wilde aanklampen –zoals altijd op de racefiets-. De hartslagmeter protesteerde meteen: Hup naar 160. Dat kon dus niet. Toen kwam het eerste colletje. Was dit nou een colletje? Daar kon ik best lekker hard tegenop! Oeps. Niet volgens de hartslagmeter. Terug in het gareel! Iedereen reed me voorbij. En ik kón makkelijk harder, zo voelde het. Vreselijk vernederend… De held in mij protesteerde in alle tonen.

Vreselijk langzaam reed ik door. Gekrenkt besloot ik het principe van constante flow en constant work in progress toe te passen. Hartslag 145, OK, maar dan wel de hele rit. Boven stonden velen uit te blazen. Ik reed door. De hartslag daalde tot 136, ik schakelde meteen naar het zwaarste verzet en ging voluit naar beneden. Dát was pas moeilijk, bijtrappen in een stijle afdaling. Keihard ging ik. Ik kon de trappers bijna niet bijhouden. Maar ’t lukte wel en ik haalde bijna iedereen weer in. Ha! Veelbelovend.

Moeiteloos hield ik het de hele dag vol. Helling op ging het rustig aan. Helling af, snoeihard naar beneden. Met voortdurend die hartslag tussen 140 en 145. Geweldig. Binnen drie uur had ik de Wanne beklommen en kreeg ik koekjes en banaan. Twee uur later was ik aan de voet van de Redoute. En nog een klein uurtje later: de finish. Zonder een centje pijn. Met een gemiddelde van 20 km per uur. In de helft van de beschikbare tijd. Kortom: missie geslaagd. Dankzij de kracht van constante flow. Dankzij design against demand en voortdurende feedback over de capaciteit van het systeem en mijn prestaties. Lean is geweldig.